Veel verlies bij niet-aangeboren hersenletsel is onzichtbaar. Overprikkeling, vermoeidheid, tragere informatieverwerking, geheugenproblemen of moeite met plannen en concentreren: dat is wel bekend. Maar NAH grijpt vaak veel dieper in. Het raakt niet alleen het functioneren, maar ook het ervaren. Niet alleen het dagelijks leven, maar ook iemands binnenwereld.
Daarmee raakt hersenletsel ook aan geloof. In de week van Goede Vrijdag en Pasen dacht ik hierover na.
Dat thema krijgt volgens mij nog maar weinig expliciete aandacht. Terwijl geloof voor veel mensen geen los onderdeel van het leven is, maar juist een fundament van het bestaan. Geloof heeft te maken met identiteit, hoop, gemeenschap, vertrouwen, richting en betekenis. Als NAH ingrijpt in hoe je leeft, denkt, voelt en aanwezig kunt zijn, dan werkt dat onvermijdelijk ook door in hoe je gelooft. Kortom, als het leven met NAH vraagt om een nieuwe verhouding tot jezelf, kan dat ook iets veranderen in je verhouding tot God.
Een pastoraal gesprek kan dan van waarde zijn.
Voor veel mensen is geloven namelijk niet alleen iets innerlijks. Het is ook samenzijn, kerk-zijn, luisteren, zingen, ontmoeten, meeleven, bidden, Bijbellezen, geraakt worden door woorden, je gedragen weten in gemeenschap. Juist die vormen van geloofsbeleving kunnen door hersenletsel onder grote druk komen te staan.
Wat als ik wel wil, maar niet meer goed kan aanhaken?
Wat als een kerkdienst te veel prikkels geeft?
Wat als de preek te snel gaat?
Wat als ik na tien minuten luisteren al cognitief uitgeput ben?
Wat als de ontmoeting na afloop meer kost dan ze oplevert?
Wat als mijn verlangen naar verbondenheid blijft, maar mijn brein de toegang ertoe steeds begrenst?
Het schuurt vaak niet alleen praktisch, tegelijk roept hersenletsel ook existentiële vragen op.
Wat gebeurt er met mijn geloof als mijn leven en mijn brein ingrijpend veranderd zijn?
Want wie ben ik nog als juist datgene wat mijn geloof jarenlang vorm gaf, nauwelijks meer lukt?
Wat gebeurt er met wie ik ben, met hoe ik bid, lees, hoop en vertrouw?
Hoe blijf ik verbonden met Hem en met mijn medegelovigen?
Wordt mijn geloof verdiept, omdat alles teruggebracht wordt naar de kern?
Blijft mijn identiteit in God dan vanzelf overeind? Of schuurt het juist aan alle kanten?
Of kom ik juist in een geloofsdip of geloofscrisis, omdat zoveel wegvalt wat eerst vanzelfsprekend was?
Wezenlijke vragen die gesteld mogen worden, misschien wel gesteld moeten worden.
Ik denk dus niet dat je te makkelijk kunt zeggen: je identiteit in God blijft gewoon overeind, klaar. In theologische zin kan dat waar zijn, maar existentieel voelt dat lang niet altijd zo. In de praktijk kan het heel wankel voelen. Door hersenletsel kunnen de vertrouwde ingangen naar geloofsbeleving wegvallen of vervormen. Niet omdat God afwezig is, maar omdat het brein niet meer vanzelf meekan in de vormen waarin geloof vaak beleefd wordt, passend bij je oude persoonlijkheid. Je kunt je afgesneden voelen van de gemeenschap, van geestelijke voeding, van je oude, vertrouwde manieren van geloven.
Je identiteit in God staat niet per se minder vast, maar je beleving ervan kan door NAH wel diep onder druk komen te staan.
Soms zie ik dat geloof juist verdiept raakt door hersenletsel. Omdat veel wegvalt, wordt de kern scherper. Wat eerst misschien verweven was met activiteit, begrip, inzet of aanwezigheid, wordt dan teruggebracht tot iets eenvoudigers en puurder: gedragen worden, hopen, uithouden, ontvangen. Het geloof wordt dan minder iets wat iemand doet, en nog meer vertrouwen in wie Hij is.
Maar het omgekeerde komt ook voor. Hersenletsel kan iemand in een geloofsdip of geloofscrisis brengen. Niet omdat het geloof verdwijnt, maar omdat er zoveel verandert in de beleving ervan. Bidden kost concentratie. Lezen lukt niet meer goed. Woorden worden moeilijker en trager verwerkt. Het verwoorden van innerlijke ervaringen is lastiger of soms zelfs onmogelijk geworden. De drukte van samenkomen wordt te groot. Emoties zijn veranderd; je voelt minder of juist meer. En ondertussen dienen zich de grote vragen aan:
Waarom is dit gebeurd?
Wie ben ik nu nog?
Wat blijft er over van mijn roeping, mijn plek in de kerk of zelfs Gods plan met mijn leven?
Hoe verhoud ik mij tot God nu mijn leven en mijn brein zo veranderd zijn?
En als ik een soort 2.0-versie van mezelf moet leren kennen, wat betekent dat dan voor mijn geloof?
Diepe vragen die je misschien eerder ook weleens stelde, maar nooit zo urgent als nu.
Je moet leren leven met een veranderd brein, een andere belastbaarheid, andere grenzen en soms ook een andere manier van voelen, denken en aanwezig zijn. Het gaat dan ook over verlies, identiteit en zingeving. Over het opnieuw leren bewonen van een 2.0-leven. Voor mensen voor wie geloof een fundament is, hoort daar ook de geestelijke dimensie bij.
Het leven met NAH vraagt misschien niet alleen om een nieuwe verhouding tot jezelf, maar ook om een nieuwe verhouding tot geloven.
Pastoraat en gesprekken over geloofsvragen in het lijden mogen meer ruimte krijgen in het herijken van een leven met hersenletsel, ook voor naasten.
